Als een handschoen

oktoberalseenhandschoen

We zijn nu drie weken onderweg in een huurcamper die zo langzamerhand steeds meer aanvoelt als ‘eigen’. Alles heeft zijn plekje, we (her)kennen elk piepje, elk rammeltje (o, dat is de bovenste la), kortom, we weten hoe alles werkt. En hoe het hier in Amerika werkt. Propaan tanken bijvoorbeeld. De tank zat nog maar een kwart vol. Niet zo gek, want naast gas gebruiken om te koken, koelt de koelkast op gas als je niet op het lichtnet aangesloten bent. Maar je gebruikt ook gas om de camper te verwarmen als je op een camping staat. En al hebben we er de afgelopen weken een stevig antivriesbeleid op nagehouden om de camper niet te laten bevriezen (zie mijn eerdere blog), kou konden we niet vermijden. Nu is 0 graden geen vorst, maar daar zet je wel de verwarming ’s avonds voor aan.

Groot verschil

Overdag valt het best nog mee. Gisteren hadden we een prachtige dag in Zion. Het was fantastisch weer. De zon scheen en de temperatuur was 24 graden. De lucht was strakblauw, van het soort blauw dat bijna gefotoshopt lijkt. Kortom, we konden ons geen betere dag bedenken om zo’n schitterend park te bezoeken. Wat hebben we lekker gewandeld. En hoe indrukwekkend is het om je te realiseren dat het lieflijke stroompje met de onschuldige naam Virgin River, ooit zoveel kracht had dat het de bergen van Zion doorkliefde.

We zitten nog nagenietend bij het kampvuur op onze camperplek. Of eigenlijk moet ik zeggen, bijna in het kampvuur op onze camperplek. Want hoe lekker het overdag ook is, ’s avonds koelt het erg snel af. We zijn die grote temperatuurverschillen en de kou een beetje beu en nemen het besluit om naar warmere streken af te reizen. We doven het vuur en met de kachel aan kijken we in de camper naar een alternatieve route. Nevada wordt het, zo besluiten we.

Mannetje bellen

Vanmorgen kijkt in een angstig lege koelkast een kropje sla me triest aan. Ook het tomaatje kijkt ongelukkig en eenzaam. Proviand aanvullen dus. En ook gelijk maar het propaan. Dan is dat allemaal weer geregeld. Vlakbij de camping is een benzinepomp met propaantank. We weten dat zelf propaan tanken ten strengste verboden is. Dat moet je door de pompbediende laten doen. De man achter de balie verontschuldigt zich. Hij is niet bevoegd om de campertank te vullen. “Daar moet je in Utah een vergunning voor hebben, en die heb ik niet”, legt hij uit. Hij kan wel een mannetje bellen, en als we geluk hebben dan zou die met een half uurtje ter plekke KUNNEN zijn. Als het meezit dus. We besluiten door te rijden. Een kwart tank…daar kun je nog heel wat mee verstoken. Maar als we onderweg een pomp zouden zien dan…

Die zien we. De alleraardigste vrouw blijkt bevoegd. Propaan tanken blijkt een hele happening. Voor ze gaat vullen moet in de camper alles uit zijn, ook de koelkast. Daarnaast moeten wij allebei de camper uit. “Safety rules”, zegt ze. Na een paar minuten sist uit de slang het laatste restje propaan de buitenlucht in. Ze is klaar, en onze tank is weer vol. Proviand slaan we wat verderop in, en met volle koelkast, volle tanks en vol goede zin en moed rijden we richting Nevada. Het rammeltje rammelt. Het piepje piept. Het is ons rammeltje, ons piepje. Onze camper. Die, net als onze reis, met alle aanpassingen en alternatieven, gewoon past als een handschoen.